ROOFVOGELS

Lees meer…

 

De roofvogels, de Accipitriformes ( de uilen) en de Falconiformes (oorspronkelijk de valkachtigen) zijn bijna allemaal vleeseters. Sommige roofvogels zoals de slechtvalk, met een snelheid van 320 km per uur het snelste dier, plukken hun prooi uit de lucht. Ze jagen overdag en zijn meestal veel te zien rond de lunch en aan het einde van de middag. Kenmerkend voor de roofvogel zijn zijn scherpe klauwen en kromme snavel. Hun ogen zijn heel sprekend en vaak indringend. Het zijn solitaire dieren. Verder, als toproofdieren, zijn ze belangrijk voor de ecologische balans. Ze jagen veelal op oude, zieke en zwakke dieren.

De bosuil (Strix aluco) op deze pagina woont in zijn eentje in een boom in een laan met dure villa’s. Als nachtvogel jaagt hij op knaagdieren. De bosuil laat zich wanneer het jaagt geruisloos van een tak vallen en slikt zijn prooi geheel in. Wanneer hij een stadbewoner is eet het noodgedwongen ook (kleine) vogels. Verder staan regenwormen, grote insecten, amfibieën, reptielen en zelfs vissen op het dieet. Wat de bosuil niet verteerd braakt het uit als de bekende braakballen. Zonder een eigen leefgebied verhongert de bosuil. Dat het zijn prooi makkelijk vindt in het donker l ligt niet aan zijn nachtzicht, zijn netvlies is net zo gevoelig als dat van de mens, maar door de oren van de bosuil die asymmetrisch op zijn hoofd zitten en het een goed ontwikkeld begrip heeft van waar een geluid vandaan komt. De bosuil is rond de veertig centimeter lang met een spanwijdte van ongeveer negentig centimeter en weegt 440 gram (mannetje) tot 550 gram (vrouwtje). Dat maakt het een middelgrote uil. Daar de bosuil een nachtdier is en in duisternis leeft wordt het in verband gebracht met (zwarte) magie en staat het te boek als de metgezel van tovenaars en heksen. Erger nog zijn grote ogen met de starre blik en zijn gejammer hebben de bosuil ook wel in verband gebracht met de duivel. Zijn scherpe zintuigen daarentegen hebben de bosuil het predicaat wijs opgeleverd. Dit laatste stamt uit de oude Griekse beschaving rond de stad (en haar Godin) Athene. De duistere symboliek van de dood is vooral een oud Egyptisch en Christelijk gebruik.

Van de familie van de valkachtigen, Falconidae, is de torenvalk met zijn 3.800-7.700 broedparen in Nederland na de buizerd de meest voorkomende roofvogel. Toch staat deze soort op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten in Nederland. Sinds de jaren negentig is de populatie van dit prachtige dier gehalveerd. Een torenvalk, Falco tinnunculus, is slechts rond de 35 centimeter groot met een spanwijdte van tussen de 65 en 80 centimeter. Het vrouwtje weegt ongeveer 190 tot 280 gram, het mannetje 180 tot 230 gram. Torenvalken eten kleine zoogdieren en kleinere vogels zoals bijvoorbeeld duiven. Insecten, kevers en muizen staan ook op het menu. Torenvalken kunnen urinesporen van muizen waarnemen en hen zo opsporen. Het zo bekende bidden, het hangen in de lucht met gespreide vleugels is hun methode om hun prooi te vinden en te bejagen. Ze maken gebruik van verlaten kraaiennesten of nestkasten voor hun broedsel, dat bestaat uit vier tot zes eieren. Na ongeveer een maand verlaten de juveniele valkjes het nest om zich na negen maanden zelf weer voort te planten.

De arend, dichterlijk en in symboliek ook wel adelaar genoemd is een middelgrote tot grote roofvogels uit de familie van de havikachtigen, op één na, de visarend, die zijn eigen familie heeft, de Pandionidea. Er zijn heel veel onderfamilies met talloze geslachten. In Nederland komen vooral de zeearend (Haliaeetus albicilla), als broedvogel, de visarend (Pandion haliaetus) en de slangenarend (Circaetus gallicus) , als zomergast, en de steenarend (Aquila chrysaetos voor. Met hun enorme lichaam en krachtige poten en klauwen is de arend, Accipitriformes, één van de meest indrukwekkende verschijningen in (de dieren) wereld, vandaar dat zij in de menselijke beschavingen al eeuwen lang als teken van macht worden gebruikt. Zijn spanwijdte is maar liefst 2 tot 2,5 meter, zijn lichaamslengte 55 centimeter en zijn gewicht vijf tot zeven kilogram. Met dat voor een vogel enorme lichaam kan het een prooi tot twee kilogram tillen. Op internet zijn vele filmpjes te zien van arenden die wegvliegen met enorme, volgens mij nog zwaardere, prooien. Hij kan een mensenleeftijd halen van zeventig jaar en wordt daarmee ongekend oud voor een (roof)vogel. Helaas zijn het verenkleed, de snavel en de klauwen rond zijn veertigste verjaardag niet meer in een conditie waarmee hij kan jagen en zijn prooi kan vasthouden. Heel opmerkelijk is het dat de arend op zijn veertigste dan een belangrijke beslissing moet nemen: sterven of regenereren. Deze laatste verandering duurt 150 dagen, waarbij het eerst zijn snavel afbreekt en wanneer die weer is aangegroeid zijn nagel uittrekt. Wanneer de nagels opnieuw zijn aangegroeid trekt hij zijn veren uit. Helemaal klaar met zijn proces vliegt hij opnieuw uit en kan het weer dertig jaar mee.

De buizerd, Buteo buteo, is net als de kiekendief een middelgrote roofvogel uit de familie van de havikachtigen. Het is een standvogel die overwintert in zijn broedgebied in Nederland, waar het jaagt in het open land bij de bosranden waar het nestelt. De buizerd is zeker geen snelle jager zoals de slechtvalk en voedt zich met woelmuizen, veld muizen, jonge konijnen, kikkers en kleine vogels, maar ook met regenwormen en kevers. Het staat ook bekend als een aaseter, wat betekent dat het zich ook voedt met overblijfselen van andere dieren. Nadat men gestopt was met het gebruik van pesticiden is de buizerd in de laatste decennia van de twintigste eeuw verveelvoudigd ten opzichte van de jaren zestig toen de buizerd hier bijna verdwenen was. De populatie is toegenomen van zo’n kleine 2000 tot wel 20.000 broedparen in 2020. Het is een mooi gezicht de buizerd hoog in de lucht op de thermiek te zien hangen met zijn kenmerkende zeer wijde ronde cirkelbewegingen die langzaam verschuift. Meestal zweeft het dan alleen rond , maar ik heb ook eens vier buizerd in een groep zien rondhangen boven de Amsterdamse waterleidingduinen. De buizerd heeft een lichaamslente van ongeveer 55 centimeter met een spanwijdte van 113 tot 128 centimeter en weegt tussen de 0,43 en 1,4 kilogram. Het nest bevat ongeveer twee tot vier eieren en de jongen vliegen uit na ongeveer vijftig tot zestig dagen, maar worden dan nog zes tot acht weken gevoerd.

Kiekendieven, Circus, behoren tot de havikachtigen, Accipitridae, en zijn bijna allemaal grondbroedvogels en hebben hun nesten dus niet zoals andere roofvogels in de bomen. De geslachtnaam Circus hebben ze te danken aan het feit dat de mannetjes en de vrouwtjes in cirkelvormige bewegingen ronddraaien tijdens de baltsvlucht. Ze hebben een voorkeur voor moerasachtige rietgebieden. Dat verklaart waarom er zo’n zestig bruine kiekendieven in natuurgebied Waverhoek overnachten, die overigens allemaal rond haf zes ’s morgens al uitvliegen naar omliggende gebieden en daar de dag doorbrengen. In Nederland komen van de werelwijd dertien soorten drie soorten voor waarvan de bruine kiekendief wel het meest gezien wordt. Ze wegen rond de 350 gram en zijn meestal 47 centimeter lang met een spanwijdte ligt tussen de 115 en de 145 centimeter. Het vragen om eten van de jongen wordt bedelen genoemd. De jongen verlaten al na drie tot vier weken het nest waarna ze wel in de omgeving blijven rondhangen. In Nederland wordt een kiekendief 17 jaar oud.